Kinderalimentatie en verhaalsbijdrage

Kinderalimentatie

Als een ouder op basis van de Participatiewet een uitkering ontvangt (bijstandsuitkering), dan kan de gemeente die de uitkering verstrekt op een onderhoudsplichtige een deel van de uitkering verhalen. Aan de onderhoudsplichtige wordt dan een verhaalsbijdrage opgelegd. Deze verhaalsbijdrage wordt overigens op dezelfde manier berekend als kinderalimentatie. Feitelijk betekent dit dan dat de bijstandsgerechtigde de normale uitkering van de gemeente ontvangt, en dat de onderhoudsplichtige een bedrag aan de gemeente moet betalen (de verhaalsbijdrage). Dus, de bijstandsgerechtigde gaat er financieel niet op vooruit. De kosten van de gemeente worden daarentegen wel gedrukt, doordat de gemeente een deel van de bijstandsuitkering op de onderhoudsplichtige verhaalt.

In een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 maart 2019 ging het om het vaststellen van een verhaalsbijdrage, maar was er ook iets bijzonders aan de hand.  (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBMNE:2019:1194&showbutton=true)

De moeder van het kind had korte tijd een relatie gehad met een man. Deze man was niet de biologische vader van het kind. Gedurende de relatie van ongeveer zes maanden had deze man het kind erkend. Hierdoor was deze man de juridische vader geworden van het kind. Na het verbreken van de relatie was er geen contact meer tussen het kind en de juridische vader. De vader had nog geprobeerd om de erkenning te laten vernietigen of nietig te laten verklaren door de rechtbank, maar dat was niet gelukt. De man bleef dus de juridische vader.

Omdat hij de juridische vader is, is hij op basis van de wet onderhoudsplichtig voor dit kind. De gemeente sprak hem aan tot het betalen van een verhaalsbijdrage, omdat de moeder van de gemeente een bijstandsuitkering ontving.

De vader deed er vervolgens alles aan om aan de rechtbank duidelijk te maken dat in dit geval aan hem geen verhaalsbijdrage kon worden opgelegd. Zo stelde hij onder meer dat er geen sprake was van lotsverbondenheid tussen hem en het kind. Dit mocht de man echter niet baten. De rechtbank oordeelde dat lotsverbondenheid geen rol speelt bij de vraag of een verhaalsbijdrage moet worden vastgesteld.

Vervolgens berekende de rechtbank volgens de vaste regels de behoefte van het kind en de draagkracht van de vrouw en de man. Volgens de rechtbank was de draagkracht van de man € 102,-. Blijkbaar was de man onderhoudsplichtig voor meer kinderen (uit een andere relatie) en moest deze draagkracht over al deze kinderen worden verdeeld. De rechtbank kwam de man uiteindelijk bij de verdeling van zijn draagkracht toch tegemoet, omdat er sprake was van zo bijzondere omstandigheden:

“ 4.14 De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad brengt een redelijke wetstoepassing met zich dat wanneer iemand onderhoudsverplichtingen heeft jegens kinderen uit een eerste en een tweede relatie, terwijl zijn draagkracht niet voldoende is om aan die verplichtingen volledig te voldoen, het voor onderhoud beschikbare bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte (HR 13 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0451, NJ 1992/178).

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak sprake van zulke bijzondere omstandigheden, gelet op wat er onder 4.1 is beschreven. Gelet op deze bijzondere omstandigheden acht de rechtbank het niet redelijk om de draagkracht van de man gelijkelijk over de kinderen te verdelen. Vaststaat dat de man maar een heel korte periode in het leven van [voornaam van minderjarige] is geweest en dat hij en [voornaam van minderjarige] geen vader-kind relatie met enige toekomst hebben.

Dat het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning is afgewezen maakt dat niet anders. Indien de draagkracht gelijkelijk verdeeld zou worden dan gaan de biologische kinderen van de man er financieel op achteruit ten gunste van [voornaam van minderjarige] . Dat vindt de rechtbank niet redelijk en wenselijk. De rechtbank vindt het gelet op het voorgaande redelijk dat de man een minimale bijdrage van € 25,- per maand zal bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding ten aanzien van [voornaam van minderjarige].”

Kortom, de man hoefde voor dit niet-biologische kind € 25,- per maand te betalen, zodat voor zijn biologische kinderen meer overbleef.

Uit deze uitspraak blijkt maar weer dat het berekenen van de kinderalimentatie en de verhaalsbijdrage maatwerk is. Als jij behoefte hebt aan advies hierover, dan kan je contact opnemen met ons kantoor.

Neem direct contact op

 

 

Facebooktwitterlinkedinmail