Bij de berekening van kinderalimentatie wordt, anders dan bij de berekening van partneralimentatie, rekening gehouden met de forfaitaire woonlasten. De woonlasten worden vastgesteld op 30 % van het netto besteedbaar maandinkomen. Voor dit systeem is een aantal jaren geleden gekozen om het berekenen van kinderalimentatie te vereenvoudigen. Daarvoor werd namelijk rekening gehouden met de werkelijke woonlasten. Dit leidde regelmatig tot discussies tussen partijen.

 

Foraitaire systeem

Na de invoering van het nieuwe forfaitaire systeem werd door een aantal rechtbanken nog wel eens hiervan afgeweken, omdat de werkelijke woonlasten lager waren dan de forfaitaire woonlasten. Langzamerhand leek dit beeld te verdwijnen en werd de forfaitaire berekening vaste prik. De uitspraak van de Hoge Raad van 16 april 2021 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2021:586 zou hierin verandering kunnen brengen.

 

Wat speelde in deze zaak?

De vrouw had verzocht om een hogere bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (kinderalimentatie). Zij was van mening dat de draagkracht van de man hiervoor toereikend was. Eén van haar argumenten was dat, in dit geval, rekening moest worden gehouden met de werkelijke woonlasten van de man, omdat deze lager waren dan de forfaitaire woonlasten. De rechtbank was in deze argumentatie niet meegegaan en het gerechtshof bekrachtigde de uitspraak van de rechtbank:

“Het hof ziet evenmin aanleiding om uit te gaan van de werkelijke woonlast van de man, zoals door de vrouw verzocht, omdat slechts in uitzonderlijke situaties dient te worden afgeweken van de forfaitaire berekening van kinderalimentatie. Van een dergelijk uitzonderlijke situatie is niet gebleken. Dat de man ervoor heeft gekozen om de meerwaarde van de verkochte woning te investeren in zijn huidige woning, waardoor hij een lagere woonlast heeft, is een keuze van de man om zijn eigen vermogenspositie in te richten op een door hem gewenste wijze en leidt er niet toe dat sprake is van een situatie waarin van het forfaitaire stelsel moet worden afgeweken.”

De vrouw heeft vervolgens cassatie ingesteld bij de Hoge Raad, waarin zij onder meer het volgende naar voren bracht:

Volgens het middel had het hof in dit geval een onderzoek naar de werkelijke draagkracht van de man niet mogen nalaten nu a) door de man in hoger beroep is erkend dat zijn werkelijke woonlasten niet meer dan € 95,– per maand bedragen, terwijl de forfaitaire woonlasten 30% van € 2.261,– per maand, dus € 678,30 bedroegen; en b) toepassing van de forfaitaire rekenmethode tot gevolg heeft dat er onvoldoende draagkracht is om in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voorzien. Wanneer gerekend zou worden met de werkelijke woonlasten van de man kan wel volledig in de behoefte van de kinderen worden voorzien.

De Hoge Raad oordeelt vervolgens:

“Op zichzelf is het hanteren van een forfaitaire woonlast niet in strijd met de wettelijke maatstaven. Het dient bovendien de voorspelbaarheid en rechtszekerheid en voorkomt dat elke verandering van de woonsituatie aanleiding geeft tot een verzoek tot wijziging van de alimentatie. De rechter zal echter, indien met de aldus berekende draagkracht niet (geheel) in de behoefte van het kind of de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit de toepassing van het forfait, steeds dienen na te gaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, dient de rechter ofwel deze hogere bijdrage op te leggen, ofwel te motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.”

De Hoge Raad concludeert dat in dit geval de zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof, nu vaststaat dat bij toepassing van het woonlastenforfait niet geheel in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien. Het gerechtshof zal moeten beoordelen of de werkelijke woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zijn en of de draagkracht van de man, berekend met de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere bijdrage. Als dat het geval is, moet het gerechtshof deze hogere bijdrage opleggen dan wel motiveren waarom in dit geval dit niet wordt gedaan.

 

Kortom, maatwerk bij kinderalimentatie blijft van groot belang.

Deel deze blog

Lees ook onze andere blogs:

Wil je meer informatie over dit onderwerp of heb je een vraag?

Stuur ons een bericht: