Gemeenschap van goederen: ieder de helft, tenzij….

echtgenoten

Met ingang van 1 januari 2018 is het huwelijksvermogensrecht aangepast. Kort gezegd houdt de aanpassing in dat de gemeenschap van goederen bestaat uit vermogen dat tijdens het huwelijk is ontstaan. Voor huwelijken gesloten vanaf 1 januari 2018 valt het voorhuwelijkse vermogen dus buiten de gemeenschap van goederen. Voor de huwelijken gesloten voor 1 januari geldt nog de oude regel, namelijk dat ook het voorhuwelijkse vermogen onderdeel is van de gemeenschap van goederen. Dit betekent dat alle bezittingen, maar ook schulden, op één hoop komen. Daar voelen de echtgenoten niets van, totdat het huwelijk eindigt in een echtscheiding. In dat geval bepaalt de wet namelijk dat de echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden gemeenschap (artikel 1:100 Burgerlijk Wetboek). Ieder heeft dus recht op de helft.

Van deze regel kan worden afgeweken bij huwelijkse voorwaarden of in een echtscheidingsconvenant. Maar, wat als de echtgenoten hierover geen afspraken hebben? Dan is het in zeer uitzonderlijke omstandigheden mogelijk om hiervan af te wijken zoals blijkt uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 november 2017 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2017:8292.

De man stelt dat moet worden afgeweken van de hoofdregel van artikel 1:100 Burgerlijk Wetboek. De man voert hierbij aan dat hij na een kort verblijf in Suriname met de vrouw is gehuwd. De vrouw is, na de huwelijksvoltrekking in Suriname, nooit naar Nederland gekomen en hij heeft nooit in Suriname gewoond. Toen de man weer in Nederland was, bleek als snel dat de vrouw zwanger was van een andere man.

De rechtbank volgt de man in zijn stellingen en oordeelt als volgt:

3.4. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge art. 1:100 BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, zodat die gemeenschap bij helft dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel is niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helft van de ontbonden gemeenschap.

De rechtbank is gelet op de door de man geschetst gang van zaken omtrent het huwelijk van partijen, het feit dat zij nimmer hebben samengewoond, de vrouw snel na de huwelijkssluiting zwanger bleek te zijn van een andere man, het huwelijksvermogen voornamelijk bestaat uit voorhuwelijksvermogen van de man en de vrouw in de onderhavige zaak geen verweer heeft gevoerd, van oordeel dat er in het onderhavige geval sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden welke er toe leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de vrouw aanspraak zou kunnen maken op de helft van het huwelijksvermogen.

Uit deze uitspraak haalt de rechtbank het vaste beginsel aan dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden mag worden afgeweken van de hoofdregel dat de echtgenoten recht hebben op de helft van de gemeenschap van goederen. De rechtbank heeft in dit geval waar eigenlijk geen sprake was geweest van een ‘normaal’ huwelijk geoordeeld dat de vrouw geen aanspraak kon maken op de helft van het huwelijksvermogen.

Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail