Eigen geld investeren in een gemeenschappelijke woning?

eigen woning

Wat krijg je terug als je uit elkaar gaat?

Het komt regelmatig voor dat twee samenwoners een woning kopen en dat één van hen eigen geld investeert in deze gemeenschappelijke woning. Maar wat gebeurt er met dat geld als de samenwoners uit elkaar gaan en de woning wordt verkocht?

De hoofdregel is dat het bedrag dat door de samenwoner in de gemeenschappelijke woning is geïnvesteerd terug naar die samenwoner moet gaan na verkoop van de woning. Dus als er door de vrouw een investering is gedaan van € 50.000,-, dan dient van de verkoopopbrengst eerst € 50.000,- aan de vrouw te worden vergoed, waarna de resterende opbrengst bij helfte tussen de ex-samenwoners moet worden verdeeld. Maar, wat als de verkoopopbrengst onvoldoende is om de investering volledig terug te betalen? Deze vraag is beantwoord in de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 maart 2017

Twee samenwoners hebben samen een woning gekocht waarvoor twee hypothecaire leningen waren afgesloten. Eén hypotheek, ter waarde van € 170.100,-, wordt korte tijd later door de vrouw afgelost uit haar vermogen, namelijk van de opbrengst van haar oude woning.

Een paar jaren later gaan de samenwoners uit elkaar en wordt de gemeenschappelijke woning verkocht. Na aflossing van de hypotheek resteert een opbrengst van € 114.961,64. Partijen zijn het erover eens dat dit bedrag in ieder geval aan de vrouw moet toekomen. Maar, de vrouw heeft nog niet haar volledige investering terug. De vrouw spreekt daarom de man aan tot betaling van de helft van het tekort, € 27.569,18. De rechtbank stelt de vrouw in het gelijk en oordeelt dat ook een negatieve verkoopopbrengst bij helfte moet worden gedeeld:

“4.5 In zijn arrest van 21 april 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU8938) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij verdeling van de gemeenschap iedere echtgenoot recht heeft op vergoeding door de gemeenschap van het bedrag dat hij uit zijn privévermogen ten behoeve van de verkrijging van het gemeenschapsgoed heeft besteed, en dat hetgeen na aftrek van het totaal van die vergoedingen van de waarde, of bij vervreemding, van de opbrengst van het goed resteert, iedere echtgenoot naar evenredigheid van zijn aandeel in de gemeenschap toekomt. Dat uitgangspunt heeft naar het oordeel van de rechtbank eveneens te gelden als een negatieve verkoopopbrengst resteert. De deelgenoten dienen naar rato van hun aandeel – in dit geval dus ieder voor de helft – te delen in de waardedaling van het gemeenschappelijke goed. De rechtbank verwijst ter ondersteuning hiervan naar het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 december 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:4050, rov. 10, en het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 1992, NJ 1992, 651. In laatstgenoemd arrest was, evenals hier, sprake van een eenvoudige gemeenschap bestaande uit een gemeenschappelijke woning die op beider naam stond en die was gefinancierd deels met een op beider naam staande hypotheek en deels door middel van een privé-investering van de vrouw. Ook in dat geval was sprake van een negatieve waarde van de woning ten gevolge van een crisis op de woningmarkt. De Hoge Raad oordeelde dat wanneer de deelgenoten een goed op beider naam krijgen, ieder voor de helft, dat goed in beginsel voor rekening en risico van beide deelgenoten is, hetgeen tot gevolg heeft dat een waardestijging aan ieder voor de helft toekomt en een waardedaling door ieder voor de helft wordt gedragen. De rechtbank is van oordeel dat genoemd beginsel, dat een waardedaling door ieder der partijen voor de helft moet worden gedragen, de grondslag vormt voor het in geding zijnde vorderingsrecht van [de vrouw] op [de man] tot vergoeding aan haar van de helft van de negatieve verkoopopbrengst. Indien het vergoedingsrecht van [de vrouw] immers zou worden beperkt tot het bedrag dat zij vanuit de gemeenschap gerestitueerd krijgt, zou afbreuk worden gedaan aan het uitgangspunt dat beide deelgenoten de helft van de waardedaling dienen te dragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [de vrouw] aanspraak heeft op betaling door [de man] van de helft van de negatieve (netto) verkoopopbrengst, zijnde (€ 114.961,64 – € 170.100 = ) € 55.138,36 : 2 = € 27.569,18.”



Blog geschreven door: Ingeborg Redert 

Facebooktwitterlinkedinmail