Berekening alimentatie bij een jongmeerderjarige

Alimentatie jongmeerderjarige

Op grond van artikel 1:404 BW zijn ouders verplicht om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Voor jongmeerderjarige kinderen (van 18 tot en met 21 jaar) zijn ouders op grond van artikel 1:395a BW verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie.

Voor minderjarige kinderen zijn in het Rapport alimentatienormen (ook wel: het Tremarapport) tabellen opgenomen waaruit de behoefte (de kosten) van de kinderen kunnen worden afgeleid aan de hand van het netto gezinsinkomen. Voor de berekening van de kosten van jongmeerderjarige kinderen die een opleiding volgen aan het MBO, HBO of de universiteit zijn er echter geen tabellen ontwikkeld. In het Rapport alimentatienormen wordt aanbevolen om voor de behoefte van jongmeerderjarigen aan te sluiten bij de normbedragen volgens de WSF-norm (Wet Studiefinanciering 2000).

Studiekosten

Tot 1 september 2015 hadden HBO en WO-studenten recht op een basisbeurs. Tot die datum werd de behoefte voor HBO en WO-studenten berekend aan de hand van onderstaande tabel.

Uitwonend Thuiswonend
Basisbeurs € 291,61 € 104,73
Aanvullende beurs € 277,41 € 255,57
Lening € 301,44 € 301,44
Collegegeldkrediet € 167,17 € 167,17
Totaal € 1037,63 € 828,91

Bron: http://www.st-ab.nl/normwsf.htm

In dit geval zouden de kosten van een thuiswonend studerend jongmeerderjarig kind worden vastgesteld op € 828,91.

Sinds 1 september 2015 hebben studenten echter geen recht meer op de basisbeurs, maar is er sprake van een leenstelsel. Gevolg hiervan is dat de WSF-normen voor HBO- en WO-studenten als volgt zijn gewijzigd.

Lening € 870,46
Collegegeldkrediet € 167,17
Totaal € 1037,63

Bron: http://www.st-ab.nl/normwsf.htm

Dit betekent dus, dat als de aanbeveling zoals opgenomen in het Rapport alimentatienormen wordt gevolgd, de kosten van een jongmeerderjarige thuiswonende student in één klap met ruim € 200,- is gestegen.

In een uitspraak van 14 december 2017 (ECLI:NL:GHSHE:2017:5519) oordeelde het Hof ’s-Hertogenbosch dat de wijziging naar het nieuwe leenstelsel niet betekende dat de kosten van de jongmeerderjarige ook gestegen zouden zijn:

“ 5.5.2. Vaststaat dat [de jongmeerderjarige] valt onder het sinds 1 september 2015 geldende studiefinancierings- stelsel (leenstelsel). Het hof zal, anders dan de rechtbank, niet uitgaan van het onder dit stelsel geldende maximale leenbedrag inclusief collegegeldkrediet. Het enkele feit dat het financieringssysteem voor de studiefinanciering met ingang van 1 januari 2015 is gewijzigd, betekent niet dat de daadwerkelijke kosten van levensonderhoud en studie van een studerende jongmeerderjarige zijn veranderd. Of van het onder het nieuwe systeem maximaal beschikbare leenbedrag daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt, zal afhangen van de persoonlijke omstandigheden van de individuele student. Nu deze persoonlijke omstandigheden door het hof niet beoordeeld kunnen worden, ziet het hof aanleiding uit te gaan van het normbudget voor levensonderhoud voor een thuiswondende student hoger onderwijs zoals dat gold onder het oude stelsel, vermeerderd met het collegegeldkrediet. In dit normbedrag zijn immers bedragen verdisconteerd voor levensonderhoud, ziektekosten en studiekosten van een thuiswonende student hoger onderwijs. Het hof zal hierbij uitgaan van de bedragen zoals die golden in de periode 1 september 2016 tot en met 31 december 2017.”

Het Hof koos er dus voor om een nuancering aan te brengen op de aanbeveling zoals opgenomen in het Rapport alimentatienormen door uit te gaan van de oude WSF-normen, zoals die golden ten tijde van de basisbeurs.

Als de kosten van de jongmeerderjarige zijn vastgesteld, moet volgens vaste rechtspraak in ieder geval de ontvangen zorgtoeslag hierop in mindering worden gebracht. Of de eigen inkomsten van de jongmeerderjarige mogen worden afgetrokken, blijft een discussiepunt. In het Rapport alimentatienormen is opgenomen dat structurele inkomsten kunnen worden afgetrokken van de kosten. De rechtspraak laat een wisselend beeld zien: soms wordt volledig rekening gehouden met eigen inkomsten, soms deels en soms geheel niet.

Aangezien er geen vaste normbedragen zijn voor de kosten van jongmeerderjarigen zullen deze steeds aan de hand van de feitelijke omstandigheden moeten worden bepaald. De uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch geeft hiervoor een goede leidraad.

Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail